Stapelrecht als aanjager groei en economie

Stapelrecht als aanjager groei en economie

Het historische centrum van Dordrecht met havens en oude pakhuizen.

Het is lang geleden, maar ooit was Dordrecht de machtigste stad van Holland. En dat allemaal dankzij het stapelrecht. Dordrecht kreeg in 1220 stadsrechten van de Hollandse graaf Willem I. Stadsrechten konden veel inhouden. Bijvoorbeeld het recht om de stad voortaan te verdedigen met bijvoorbeeld wallen of grachten en het recht om markt te houden. Misschien wel het belangrijkste was het recht om zelf een bestuur te kiezen en een eigen rechtspraak te hebben. En zeker niet onbelangrijk, het recht om belastingen te heffen.

Dat het nederzettinkje aan de oevers van het riviertje de Thuredriht dergelijke rechten kreeg, is het bewijs dat het toen al belangrijk was.

Dordrecht was al eerder in de gunst geweest van Hollandse graven. In 1179 was Floris III begonnen met tol te heffen op de rivieren. Dordrecht werd het centrum van dit systeem van tollen en dat was behoorlijk lucratief. De Dordtse toltoren stond op de hoek van de huidige  Voorstraat en het Scheffersplein. Een straat daar heet nog steeds Tolbrugstraat.

In 1271 mocht Dordrecht van Floris V een stadsgracht graven, de Spuihaven. In 1299, vier dagen voor hij overleed, verleende Jan I, zoon van Floris V, Dordrecht het stapelrecht,‘vanwege de vele trouwe diensten die onze beminde burgers van Dordrecht ons hebben verleend’,zo stond in de acte van graaf Jan.

Het stapelrecht hield in dat veel goederen die over de Lek en de Merwede werden vervoerd, eerst in Dordrecht op de markt moesten worden gebracht voor ze verder werden getransporteerd. Dit luidde de Gouden Eeuw van Dordrecht in (1350 – 1450). Door de stapel werd Dordrecht een knooppunt van handelsactiviteiten. Uit alle delen van de wereld werden er goederen verhandeld en geconsumeerd. Voor de graaf had het stapelrecht het voordeel dat hij zijn tollen gemakkelijk kon innen en dat Dordrecht hem als dank financieel en materieel steunde bij zijn oorlogen.

In Dordrecht werd eerst voornamelijk hout en koren verhandeld. Later kwam daar wijn bij. Wijn moest veertien dagen (later acht dagen) in Dordrecht blijven voor hij verder mocht worden verkocht. Natuurlijk was de wijn die voor de graaf zelf was bestemd vrijgesteld van deze eis. Omdat andere graven het stapelrecht steeds weer uitbreidden kwamen er nog meer producten bij, zoals alle granen (rogge, gerst en haver),erwten, bonen, peulvruchten, wede (een blauwe kleurstof), zout, boomvruchten en hop, maar ook kalk, molenstenen, leisteen, ijzer, hars en nog veel meer. Wie probeerde het stapelrecht te omzeilen, werd met wapengekletter door Dordtse oorlogsschepen tot de orde geroepen.

Vanzelfsprekend hadden andere steden bezwaren tegen de Dordtse stapel, ook steden die in de nabijheid van Dordrecht lagen. Zo waren Zierikzee en Middelburg, die beide in het verlengde van de Dordtse vaarroute lagen, furieus over het Dordtse monopolie van wijn en hout. En alle andere steden in Holland daagden Dordrecht geregeld voor de rechter om aan het Dordtse stapelrecht te ontkomen. Gouda, Amsterdam, Rotterdam en Alkmaar, allemaal moesten ze vaak buigen voor Dordrecht.

In de Tachtigjarige Oorlog verwaterde het Dordtse stapelrecht. Rotterdam en Amsterdam ontdoken steeds vaker de regels en de Staten van Holland weigerden daar tegen op te treden. Dordrecht versoepelde de regels, maar uiteindelijk kwam er van het oude stapelrecht niet veel meer terecht. Tijdens de bezetting door de Fransen van 1795 tot 1813 kwam er een einde aan de bevoorrechting van Dordrecht. Tot op de dag van vandaag zijn nog wel de ‘gevolgen’ van het stapelrecht te zien, zoals onder andere de vele havens voor een relatief kleine stad, de pakhuizen met buitenlandse namen en de weelderige koopmanshuizen.